Publieke diensten onder vuur

Publieke diensten onder vuur

TTIP, CETA, en de heimelijke samenwerking tussen lobbyisten van het bedrijfsleven en de handelsonderhandelaars

Internationale handelsbesprekingen die de beleidsruimte van overheden om regelgevend op te treden alsmede het recht van burgers op toegang tot basisvoorzieningen zoals water, gezondheid en energie, in gevaar brengen omwille van de winstgevendheid van het bedrijfsleven, vormen een bedreiging voor publieke diensten in de Europese Unie.
Het CETA-verdrag tussen de EU en Canada dat al begin 2016 geratificeerd zou kunnen worden, en het TTIP-verdrag waarover wordt onderhandeld met de Verenigde Staten zijn de meest recente voorbeelden van hoe hierop wordt ingezet. In het ergste geval kan dit ervoor zorgen dat ten aanzien van publieke diensten een onomkeerbaar proces van commercialisering in gang wordt gezet, waarvan geen weg terug meer mogelijk is - hoe schadelijk het algemeen belang in ogenschouw nemend de gevolgen ook zouden zijn.
Dit rapport werpt enig licht op de geheime afspraken tussen grote bedrijven en de handelsonderhandelaars m.b.t. het vormgeven van de internationale handelsakkoorden van de EU. Het belicht de offensieve agenda van dienstverlenende bedrijven inzake TTIP en CETA, waarin wordt aangedrongen op vergaande marktopening op terreinen als gezondheidszorg, culturele diensten, postdiensten en water, wat hen in staat zou stellen die markten te betreden en te domineren. Het laat tevens zien hoe degenen die gaan over de handelsonderhandelingen van de EU de rode loper uitrollen voor de dienstenindustrie, zowel in de geconsolideerde tekst van het CETA-verdrag die in september 2014 openbaar is gemaakt, als in de ontwerpteksten voor de TTIP-hoofdstukken en interne onderhandelingsdocumenten, die in grote lijnen overeenstemmen met de wensenlijstjes van de lobbyisten van het bedrijfsleven.

Belangrijkste bevindingen:
1. TTIP en CETA tonen duidelijke sporen van de invloed van dezelfde lobbygroepen die de afgelopen decennia tijdens eerdere handelsbesprekingen zijn opgekomen, zoals de zeer invloedrijke zakelijke lobbygroep BusinessEurope en het European Services Forum, een lobbyorganisatie waarin zowel ondernemers-organisaties als grote bedrijven zoals British Telecom en Deutsche Bank zijn verenigd.

2. De relatie tussen de industrie en de Europese Commissie is er een die twee kanten op werkt en waarbij de Commissie lobby van het bedrijfsleven rond haar handelsbesprekingen actief stimuleert. Dit wordt wel getypeerd als ‘omgekeerd lobbyen’, dat wil zeggen ‘de overheid lobbyt het bedrijfsleven om zich te laten belobbyen’. Pierre Defraigne, voormalig adjunct-directeur-generaal van het handelsdepartement van de Commissie, spreekt van een “systematische heimelijke samenwerking tussen de Commissie en het bedrijfsleven”.

3. De bedrijvenlobby heeft een enorm succes geboekt met CETA, dat de eerste EU-overeenkomst dreigt te worden die een “negatieve lijst” voor de liberalisering van diensten hanteert. Dat houdt in dat alle dienstensectoren moeten worden geliberaliseerd, tenzij een expliciete uitzondering is gemaakt. Daarmee wordt radicaal afgeweken van de positieve lijsten waarmee de EU tot nu toe in handelsverdragen werkte, waarop uitsluitend die diensten voorkomen waarvan overheden hebben aangegeven ze te willen liberaliseren, en die andere sectoren ongemoeid laten. Het gebruik van een negatieve lijst breidt de reikwijdte van een handelsovereenkomst dramatisch uit: overheden maken daarmee afspraken op terreinen waar ze zich mogelijk niet eens van bewust zijn, zoals nieuwe diensten die zich in de toekomst zullen ontwikkelen. Het is zeer waarschijnlijk dat in TTIP dezelfde aanpak zal worden gevolgd. Daar oefent de Europese Commissie druk uit op de EU-lidstaten om, in lijn met de eisen van de bedrijvenlobby, met dezelfde, uiterst risicovolle aanpak akkoord te gaan.

4. ‘Big business’ heeft met succes gelobbyd tegen het maken van een uitzondering voor publieke diensten in CETA en TTIP: beide overeenkomsten strekken zich uit tot zo goed als alle diensten. Er wordt alleen een zeer beperkte algemene uitzondering gemaakt voor diensten die deel uitmaken van ‘de uitoefening van overheidsgezag’. Maar om aanspraak te maken op deze uitzondering mag een dienst ‘noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers’ worden verleend. Vandaag de dag is er echter in vrijwel alle traditionele publieke sectoren sprake van zowel particuliere bedrijven als publieke leveranciers – die vaak verwikkeld zijn in een felle concurrentiestrijd. Daarmee wordt de uitzondering voor diensten verleend in het kader van overheidsgezag de facto beperkt tot een aantal essentiële bevoegdheden van de staat, zoals rechtshandhaving, de rechterlijke macht of de diensten van een centrale bank. Soortgelijke problemen gelden voor de zogenaamde vrijstelling van nutsbedrijven, die EU-lidstaten slechts het recht voorbehoudt om bepaalde diensten aan te bieden in de vorm van publieke monopolies of op basis van exclusieve rechten: die vrijstelling bevat zo veel mazen dat ook zij niet kan dienen als een adequate bescherming van publieke diensten.

5. Waarschijnlijk de grootste bedreiging voor de openbare dienstverlening vormen de verregaande bepalingen ter bescherming van investeringen die al zijn vastgelegd in CETA, en die ook worden voorzien voor TTIP. Onder de zogenaamde investor-state geschillenbeslechting (ISDS), kunnen duizenden Amerikaanse en Canadese bedrijven (evenals multinationals met een hoofdkantoor in de EU die hun investeringen laten lopen via dochterondernemingen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan) de EU en haar lidstaten aanklagen als beleidsveranderingen in de dienstensector hun bedrijfswinsten aantasten - wat kan resulteren in de verplichting tot het betalen van schadevergoedingen die in de miljarden kunnen lopen. Beleid op het gebied van het reguleren van publieke diensten - van het maximaliseren van de prijs die mag worden gevraagd voor water tot het terugdraaien van privatiseringen - zijn al doelwit van ISDS-claims geweest.

6. De voorbehouden en de uitzonderingen die in CETA en TTIP worden gemaakt, zijn ontoereikend voor een doeltreffende bescherming van de publieke sector, alsmede de democratische besluitvorming over de vraag hoe die te organiseren. Dit komt niet in het minst doordat de uitzonderingen in het algemeen niet van toepassing zijn op de meest risicovolle investeringsbeschermingsbepalingen en ISDS, waardoor regels rond gevoelige publieke diensten zoals onderwijs, water, gezondheidszorg, sociale zekerheid en pensioenen blootgesteld worden aan alle mogelijke aanvallen door investeerders.

7. De Europese Commissie volgt de eisen van het bedrijfsleven om de huidige en toekomstige liberalisering en privatisering van openbare diensten bindend vast te leggen, bijvoorbeeld via gevaarlijke ‘standstill’- en ‘ratchet’-mechanismen - zelfs wanneer eerder genomen liberaliseringsbesluiten zijn uitgedraaid op een mislukking. Dit kan een bedreiging vormen voor de groeiende trend van het weer in publieke handen brengen van diensten op het gebied van de drinkwatervoorziening (in Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Zweden en Hongarije), energienetten (in Duitsland en Finland) en vervoer (in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk). Het ten dele terugdraaien van de mislukte privatisering van aspecten van de Britse National Health Service (NHS) teneinde non-profit zorgverleners te versterken zou kunnen worden gezien als een schending van CETA / TTIP - net als de nationalisaties en re-regulering in de financiële sector, zoals we die in de jongste economische crisis hebben gezien.

8. Toegeven aan eisen van het bedrijfsleven voor onbelemmerde toegang tot overheidsaanbestedingen kan de mogelijkheden van overheden beperken om lokale en not-for-profit aanbieders te ondersteunen en bovendien het uitbesteden van banen in de publieke sector aan particuliere bedrijven in de hand werken, waar het personeel vaak gedwongen is om hetzelfde werk te doen tegen slechtere loon- en arbeidsvoorwaarden. In CETA hebben overheden al diverse sectoren opengesteld voor een verplichte trans-Atlantische aanbestedingsprocedure bij de inkoop van leveringen en diensten - een effectieve methode voor privatisering door een geleidelijke overdracht van publieke diensten aan for-profit aanbieders. Amerikaanse lobbygroepen zoals de Alliance for Health Care Competitiveness (Alliantie voor Concurrentievermogen in de Gezondheidszorg AHC) en de Amerikaanse regering willen de drempels voor trans-Atlantische aanbesteding in TTIP drastisch verlagen.

9. Zowel CETA en TTIP dreigen de gezondheids- en sociale zorg te liberaliseren, wat het lastig maakt om nieuwe regelgeving in deze sectoren door te voeren. Het Britse aanbod betreffende dienstenliberalisering in TTIP omvat nadrukkelijk ook ziekenhuisdiensten. In de CETA-tekst en recente TTIP-ontwerpteksten blijken niet minder dan 11 EU-lidstaten bereid tot het liberaliseren van langdurige zorg, zoals thuiszorg voor ouderen (België, Cyprus, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Ierland, Italië, Portugal, Spanje en het UK). Dit kan maatregelen in de weg staan om de langdurige-zorgsector te beschermen tegen strategieën voor de verkoop van waardevolle activa (asset stripping) van financiële investeerders, van het soort die in het Verenigd Koninkrijk leidden tot het omvallen van de not-for-profit organisatie voor ouderenzorg Southern Cross.

10. De meest recente TTIP-ontwerpteksten van de EU op diensten perken het gebruik van verplichtingen tot universele dienstverlening (VUDs) ernstig in en leggen de concurrentie door publieke postbedrijven sterk aan banden, geheel conform de wensen van grote koeriersbedrijven zoals UPS of FedEx. VUDs zoals het dagelijks bezorgen van post in landelijke gebieden zonder extra kosten zijn gericht op het waarborgen van de universele toegang tot basisdiensten tegen betaalbare prijzen.

11. TTIP en CETA dreigen de vrijheid van openbare nutsbedrijven te beperken om energie te produceren en distribueren in overeenstemming met maatschappelijke doelstellingen, zoals bijvoorbeeld het ondersteunen van duurzame energie om de klimaatverandering tegen te gaan. Slechts een paar EU-lidstaten behouden zich in deze handelsverdragen uitdrukkelijk het recht voor om bepaalde maatregelen te treffen met betrekking tot de productie van elektriciteit (alleen België, Portugal en Slowakije) en lokale energiedistributienetwerken (waaronder België, Bulgarije, Hongarije en Slowakije).

12. De VS aast op openstelling van de onderwijsmarkt via TTIP - van het managementopleidingen en taalcursussen tot toelatingstoetsen voor de middelbare school. Amerikaanse onderwijsaanbieders op de Europese markt, zoals Laureate Education, de Apollo Group, en de Kaplan Group zien daarin net zo veel profijt als het Duitse mediaconcern Bertelsmann, dat onlangs een belang heeft genomen in de in de VS gevestigde online-onderwijsprovider Udacity. De Europese Commissie heeft de EU-lidstaten gevraagd om hun “potentiële flexibiliteit” ten aanzien van het Amerikaanse verzoek met betrekking tot onderwijs kenbaar te maken.

13. De Amerikaanse filmindustrie wil dat TTIP een eind maakt aan de Europese content-quota en andere steunmaatregelen gericht op de lokale filmindustrie (bijvoorbeeld in Polen, Frankrijk, Spanje en Italië). Lobbygroepen zoals de Motion Picture Association of America (MPPA) en de Amerikaanse regering verzetten zich daarom tegen de uitsluiting van audiovisuele diensten in het TTIP-mandaat van de EU, waar de Franse regering zich hard voor heeft gemaakt. Ze pogen nu om deze uitzondering zo veel mogelijk in te perken, bijvoorbeeld door uitzendingen uit te sluiten van het concept van audiovisuele diensten - schijnbaar met de steun van koepelorganisaties van het Europese bedrijfsleven, zoals BusinessEurope, en de Europese Commissie.

14. Financiële beleggers, zoals BlackRock, die zich bezighouden met Europese publieke diensten kunnen zich bedienen van de bepalingen in TTIP en CETA aangaande financiële diensten en investeringsbescherming om hun belangen te verdedigen tegen ‘lastige’ regelgeving, gericht op, bijvoorbeeld, verbetering van de arbeidsomstandigheden in de langdurige zorg. Lobbygroepen zoals TheCityUK, die de financiële sector in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigen, zijn hard aan het lobbyen voor een ‘allesomvattend’ TTIP, dat ‘betrekking moet hebben op alle aspecten van de trans-Atlantische economie’.

15. Amerikaanse dienstverleners ijveren er ook voor dat in TTIP ‘handelsbelemmeringen’ zoals arbeidswetgeving worden aangepakt. Zo wil het Amerikaanse bedrijf Home Instead, een grote leverancier van thuiszorg voor senioren die franchises heeft in verschillende lidstaten van de EU, waaronder Nederland, dat TTIP iets doet aan de ‘starre arbeidswetgeving’ die de onderneming verplicht om haar parttime werknemers ‘uitgebreide voordelen, zoals betaalde vakanties’ aan te bieden, die volgens het bedrijf ‘de kosten van de thuiszorg onnodig opjagen’.
Wat er in handelsovereenkomsten zoals TTIP en CETA in het geding is, is ons recht op essentiële diensten, en, meer nog, de ruimte die we hebben om diensten van allerlei aard te reguleren ten gunste van de samenleving als geheel. Als ze aan zichzelf worden overgelaten, zullen handelsbesprekingen het uiteindelijk onmogelijk maken om besluiten door te voeren in het algemeen belang. Eén maatregel om publieke diensten effectief te beschermen tegen de aanslag die handel hierop pleegt, is een volledige en eenduidige uitsluiting van alle publieke diensten van de handelsovereenkomsten en -onderhandelingen van de EU. Maar zo’n uitsluiting zou zeker niet voldoende zijn om het scala aan andere bedreigingen die van CETA en TTIP uitgaan ongedaan te maken: er zijn namelijk nog veel meer bepalingen die deel uitmaken van deze verdragen en die een gevaar vormen voor de democratie en het welzijn van burgers. Zolang TTIP en CETA de beleidsruimte om regelgevend op te treden in het algemeen belang niet uitdrukkelijk beschermen, is een categorische afwijzing van deze verdragen op zijn plaats.

 

Gerelateerd